Het verband tussen zware krachttraining en schade aan gewrichten

Het verband tussen zware krachttraining en schade aan gewrichten

Schade aan gewrichten is een veel voorkomende aandoening van het bewegingsapparaat in Nederland die vaak tot klachten kan leiden. Een belangrijke risicofactor voor het ontstaan van pijn in de onderrug is zwaar tillen. Het doel van dit artikel was om vast te stellen of zware krachttraining schade aan gewrichtsstructuren aanricht en welke andere effecten zware krachttraining heeft op de structuren in en rondom het gewricht. In de literatuur werd gevonden dat zware krachttraining geen permanente schade aanricht aan de gewrichten. Wel had het een positief effect op de minerale botdichtheid en de dikte van het bot. Het gewrichtskraakbeen liet in de besproken studies echter geen aanpassingen aan zware krachttraining zien. Deze resultaten geven steun aan de hypothese dat het lichaam zich goed kan aanpassen aan zware krachttraining mits het maar de kans krijgt om te herstellen van een zware belasting.

 

Inleiding
Lage rugklachten en pijn door schade aan gewrichten zijn veel voorkomende aandoeningen van het bewegingsapparaat. Volgens het RIVM zijn er op het moment van schrijven meer dan 800.000 arbeidsongeschikten in Nederland. Van deze arbeidsongeschikten wordt 25% veroorzaakt door klachten aan het bewegingsapparaat (RIVM, 2007). Volgens een onderzoek van Andersen et al. (2007) is zwaar tillen een risicofactor voor het ontwikkelen van pijn in de onderrug. Hierbij wordt echter niet gekeken of er ook daadwerkelijk schade is aan de gewrichten. Een veelvoorkomende vorm van schade aan de gewrichten is artrosis deformans (AD) of artrose. Deze aandoening gaat gepaard met degeneratie van het kraakbeen van het gewrichtsoppervlak. Het kraakbeen zorgt ervoor dat de botten van een gewricht goed over elkaar heen glijden. Als dit kraakbeen beschadigd raakt, glijdt het onderliggende bot over elkaar heen wat beschadigingen aan het bot veroorzaakt. Dit kan veroorzaakt worden door de schade die ontstaat door chronische belasting (Hoedemaeker et al. 1999). Dit is meestal onderzocht in arbeidsituaties (Andersen et al. 2007) maar ook atleten hebben een verhoogd risico op beschadigingen aan het bewegingsapparaat als gevolg van overbelasting. (Aharony et al. in druk). In dit artikel wordt onderzocht welke invloed zware krachttraining heeft op het ontstaan van schade aan de gewrichten. Dit wordt gedaan door studies te bespreken waarin onderzoek is gedaan naar de schade die zware belasting veroorzaakt in de gewrichten, bij voorkeur MRI studies omdat hiermee schade objectief vast kan worden gesteld. Dit in tegenstelling tot vragenlijsten waarbij mensen pijn kunnen rapporteren en geen schade aan de gewrichten hebben, of geen pijn rapporteren maar wel schade aan de gewrichten hebben. Bovendien zullen ook de voordelen van zware krachttraining op de gewrichten worden besproken. Er moet blijken of regelmatige zware belasting of zware krachttraining, permanente schade aanricht aan de gewrichten of dat er juist voordelen zitten aan het uitvoeren van zware krachttraining. Uiteindelijk is het doel om beter inzicht te krijgen in de relatie tussen zware krachttraining enerzijds en gewrichtsschade en adaptaties aan gewrichten anderzijds. Deze kennis kan bijdragen aan een betere fundering van advies ten aanzien van de intensiteit van de training.
Artrosis Deformans

AD is een langzaam voortschrijdende gewrichtsafwijking die met name de grote, meest belastte gewrichten aantast. AD wordt gekenmerkt door beschadigingen aan het kraakbeen, cystevorming in het bot onder het gewrichtsoppervlak en de vorming van osteofyten aan de rand van de gewrichten (Hoedemaeker et al. 1999). Symptomen van AD omvatten o.a. pijn in het aangedane gewricht welke toeneemt bij belasting en weer afneemt bij rust, kraken van het gewricht en ochtendstijfheid. Ook wordt de bewegingsrange van gewrichten door AD beperkt (van Dieën & Kingma 2003).
Tussenwervelschijf Degeneratie
Degeneratie van de tussenwervelschijven is een aandoening waarbij de stevigheid van de tussenwervelschijven verminderd waardoor de hoogte van de discus kan afnemen en er kunnen osteofyten ontstaan. De stevigheid van de tussenwervelschijf kan verminderen door schade en herstel na schade waardoor littekenweefsel kan ontstaan (Battié & Videman 2006).
Leidt zware training tot schade aan gewrichten?

In het onderzoek van Aharony et al. (in druk) werden bij een groep van 10 Navy Seals rekruten, MRI scans gemaakt van de knie en het lumbale sacrale deel van de onderrug en beoordeeld door een radioloog. De rekruten hadden voor de training tot Navy Seal al een standaard en voortgezette infanterie training doorlopen. De Navy Seals training duurde 14 weken en bestond uit o.a. het dragen van zware lasten op de rug van tot 40% van het lichaamsgewicht, gedurende het lopen en rennen van afstanden van tot wel 90km per dag. Na het voltooien van de Navy Seals training werden er weer MRI scans gemaakt bij de 10 rekruten. Zes van de 10 rekruten hebben de Navy Seals training geheel doorlopen, de andere vier zijn voortijdig gestopt en direct verder gegaan met een andere Special Forces training. Er bleek dat de training totaal geen schade had toegebracht aan de lumbale en sacrale wervelkolom. Er was dus ook geen sprake van tussenwervelschijfdegeneratie. De training veroorzaakte ook geen extra schade in het kniegewricht. Integendeel, de kleine reversibele schade die aanwezig was bij een aantal rekruten bij aanvang was, na afloop van de 14 weken training, gedeeltelijk genezen. Het is echter niet bekend of dit juist door de training kwam of dat dit een natuurlijk genezingsproces is. Dit onderzoek onderschrijft de opvatting dat zware training geen permanente schade aanricht aan de gewrichtsstructuren. Gratzke et al. 2007 voerden een MRI onderzoek uit naar het kraakbeen in het kniegewricht bij 14 atleten die regelmatig krachttraining uitvoerden en vergeleken dit met het kraakbeen van 14 niet-atleten zonder ervaring met krachttraining of conditietraining. Bovendien werd er onderzocht of er een verband bestond tussen de dikte van het kraakbeen en de mechanische belasting van het gewricht. Om de belasting van het gewricht vast te stellen werd het maximale moment van de knieëxtensoren gemeten. De groep atleten werd gevormd door 7 professionele gewichtheffers en 7 professionele bobslee sprinters. Alle proefpersonen in deze groep waren begonnen met sporten tussen hun 7e en 13e jaar, trainden allen minstens 7 jaar en waren nog steeds actief in hun sport. De gewichtheffers en sprinters hadden een 14% groter maximaal extensie moment en een 17% grotere fysiologische doorsnede dan de controle groep. De dikte van het kraakbeen op het kniegewricht verschilde echter niet significant. Er werd geen verband gevonden tussen het maximale spiermoment en de dikte van het kraakbeen. Hieruit kan ook geconcludeerd worden dat de proefpersonen ondanks hun zware trainingen geen schade hebben opgelopen aan het gewrichtskraakbeen van hun knieën. Hierbij moet wel worden opgemerkt dat de precieze trainingsschema’s en dus de gewoonlijke trainingsbelasting niet bekend is.

In een MRI-onderzoek van Videman et al. (1995) kon zware training slechts 10% van de variantie in tussenwervelschijf degeneratie verklaren bij een groep gewichtheffers in vergelijking met een groep scherpschutters. De scherpschutters stonden gedurende hun training, in tegenstelling tot de gewichtheffers, niet bloot aan grote krachten. De gewichtheffers hadden gemiddeld 26 jaar zware krachttraining uitgevoerd, wat inhoudt dat ze zo’n 9000 uur actieve training achter de rug hadden en ze hadden op z’n minst deel uitgemaakt van het Finse nationale team. Battié et al. (1995) voerden een cohort studie uit bij 115 identieke mannelijke tweelingen waarbij bij elke deelnemer de blootstelling aan verschillende risicofactoren werd vastgesteld en werd gerelateerd aan MRI beelden van de lumbale ruggengraat. Ook hier bleek dat zware lichamelijke arbeid slechts een kleine rol speelt bij het ontwikkelen van degeneratie van de tussenwervelschijven. Hoewel er in deze studie geen topsporters die zware krachttraining uitvoeren werden onderzocht, zijn de resultaten wel in overeenstemming met andere onderzoeken die wel onderzoek doen naar (top)sporters die zware krachttraining uitvoeren. Kaneoka et al. (in druk) hebben in een case control studie onderzoek gedaan naar de degeneratie van de lumbale tussenwervelschijf bij een groep topzwemmers en normale controle groep die minder zwommen. Er werden MRI-scans gemaakt van de wervelkolom zodat de tussenwervelschijven onderzocht konden worden op beschadigingen. Twee orthopedisch chirurgen beoordeelden onafhankelijk van elkaar de MRI-scans. Uit het onderzoek bleek dat de zwemmers in de groep van topzwemmers veel meer last hadden van tussenwervelschijf degeneratie dan de groep zwemmers die minder zwommen, 66% voor de topzwemmers en 29% van de minder intensieve zwemmers. Bovendien was de gemiddelde leeftijd van de groep die minder intensief zwom significant hoger dan die van de groep topzwemmers. Dit onderzoek impliceert dat zware belasting wel degelijk leidt tot schade aan gewrichten, in dit geval de tussenwervelschijven. Echter het gaat hier om een belasting die langere tijd vol kan worden gehouden en niet om een zware belasting die maar kort kan worden volgehouden. Ook zeggen de auteurs dat ze niet de belasting konden vaststellen die de zwemmers vóór het onderzoek hebben ondergaan zoals krachttraining of dry land oefeningen, wat ook de mate van gewrichtsschade kan beïnvloedden. Ze concluderen dan ook dat er meer onderzoek voor nodig is om vast te kunnen stellen of de belasting die topzwemmers ondergaan, werkelijk leidt tot gewrichtsschade.

In een onderzoek van Swärd et al. (1991) voerden een MRI onderzoek uit naar de tussenwervelschijven van Zweedse turners met een zo hoog mogelijke (inter)nationale ranking en vergeleken deze beelden met die van een controle groep. Ze vonden dat degeneratie van de tussenwervelschijven bij 75% van de turners voorkwam tegen 31% bij de controle groep en dat de turners ook een hogere incidentie hadden van andere afwijkingen aan de wervelkolom, hoewel dit verschil niet significant was met de controle groep. Hierbij moet wel in acht worden genomen dat de gemiddelde leeftijd van de controle groep hoger was dan van de turners, waardoor het verschil onderschat kan zijn. Hoewel de literatuur het er niet helemaal over eens is, lijkt het erop dat zware krachttraining geen permanente schade aanricht aan de gewrichtsstructuren. De besproken onderzoeken maakten allemaal gebruik van een MRI-scan wat de gegevens betrouwbaarder maakt dan onderzoeken waarbij de proefpersonen worden ondervraagd over klachten. Volgens een review van Battié et al. (2004) is de opvatting dat de belangrijkste risicofactor voor degeneratie van de lumbale tussenwervelschijf zware belasting is niet meer te verdedigen. Het optreden van degeneratie van de tussenwervelschijf is volgens hen voornamelijk toe te schrijven aan erfelijke factoren en niet door de zware belasting die bijvoorbeeld topatleten ondergaan tijdens hun training. De onderzoeken die wel schade aan gewrichtsstructuren vonden, waarschijnlijk door de zware training, hadden met elkaar gemeen dat het om sporten ging waarbij flexibiliteit van de rug erg belangrijk is (zwemmen en turnen) waardoor de tussenwervelschijven waarschijnlijk op een andere manier belast worden dan wanneer er een zwaar gewicht moet worden getild zoals bijvoorbeeld bij gewichtheffen.
Adaptaties van gewrichtsstructuren en weefsels aan zware training

Het is algemeen bekend dat onder invloed van regelmatige zware krachttraining de spieren zich zullen aanpassen aan de training en sterker zullen worden en hypertrofie gaan vertonen. De botdichtheid van astronauten en personen die langdurig in bed liggen neemt snel af vanwege het afwezig zijn van belasting (LeBlanc et al. 2007). Is het echter ook zo dat botten zich onder een zwaardere dan normale belasting aanpassen? Ook is het minder goed bekend hoe het gewrichtskraakbeen reageert op een dergelijke prikkel.

Botweefsel adaptaties

In een cross-sectionele studie van Pettersson et al. (2000) werden de minerale botdichtheid en botoppervlak gemeten van vrouwelijke atleten die óf voetbal of touwtjespringen als sport beoefenden en een controle groep met veel minder actieve vrouwen. Dit werd gedaan door gebruik te maken van een dual-energy X-ray absorptiometer (DEXA). Na correctie voor gewicht en aantal trainingsjaren bleek dat de minerale botdichtheid van de proefpersonen in de groep die touwtjespringen als topsport beoefenden, hoger was dan de minerale botdichtheid van de voetbalsters in het totale lichaam, de lumbale ruggengraat en de humerus. Verder was de minerale botdichtheid van zowel de touwtjespringers als de voetbalsters significant hoger dan die van de inactieve controlegroep. Bovendien bleken de botten van de touwtjespringers significant dikker te zijn dan die van de voetbalsters (6,5%-12,0%). Zowel bij voetbal als bij touwtjespringen is er sprake van een zeer zware belasting van de gewrichten en botten. Volgens Pettersson et al. (2000) zijn de grondreactiekrachten bij het afzetten en weer neerkomen bij touwtjesspringen 4,1-6,0 keer het lichaamsgewicht. Ook bij voetbal staan de onderste extremiteiten bloot aan een grote grondreactiekracht door het vaak versnellen en veranderen van richting. Er wordt geschat dat dit in de orde van grootte van 3-6 keer van het lichaamsgewicht zit. Hoewel dit geen sporten zijn waarin de gewrichten en botten op dezelfde manier worden belast als bij zware krachttraining, geeft dit wel een indicatie dat het botweefsel zich aanpast onder invloed van belasting. Daly en Bass (2006) onderzochten 161 gezonde mannen van boven de 50 jaar met behulp van een DEXA om de minerale botdichtheid en quantitative computed tomography om de botdikte te meten. De botdikte werd vergeleken met de hoeveelheid en soort training die de proefpersoon gedurende zijn leven had doorlopen. Ze vonden dat mannen die gedurende hun leven regelmatig gewichtsdragende sporten of vrije tijdsbestedingen hebben beoefend, dikkere en sterkere botten hebben. Hierbij maakte de tijd die de proefpersonen per week daaraan besteedden niet uit. Hoewel proefpersonen die intensieve krachttraining beoefenden niet werden toegelaten in de studie geeft ook dit aan dat regelmatige belasting de botten sterker maakt. Bellew et al. (2006) vergeleken in hun studie de minerale botdichtheid van zwemsters, voetbalsters en gewichthefsters. In totaal waren er 64 atleten, in de leeftijd van 10-17 jaar, waarvan 29 zwemsters, 16 voetbalsters en 19 gewichthefsters die allemaal op hoog niveau met competities meedoen. Ze concludeerden dat de mechanische belasting een erg belangrijke factor is in de botontwikkeling. Activiteiten waarbij het lichaamsgewicht niet gedragen hoeft te worden en waarbij de botten geen impact krachten te verwerken krijgen, zoals bij zwemmen, leveren een relatief kleine bijdrage aan de minerale botdichtheid. De zwemsters hadden een significant lagere botdichtheid, vergeleken met de WHO norm voor gezonde volwassen vrouwen. Dit in tegenstelling tot activiteiten waarbij het lichaamsgewicht wel gedragen moet worden en de botten wel bloot worden gesteld aan impact krachten zoals voetbal. De voetbalsters hadden een significant hogere minerale botdichtheid vergeleken met de WHO norm. De gewichthefsters hadden geen significant verschillende minerale botdichtheid vergeleken met de zwemsters. Karlsson et al.(1992) hebben een onderzoek uitgevoerd naar de minerale botdichtheid van verschillende botten van 40 mannelijke gewichtheffers van nationaal en internationaal niveau, door gebruik te maken van een DEXA. Van deze 40 proefpersonen waren er 19, met een gemiddelde leeftijd van 25, nog steeds actief en 21, met een gemiddelde leeftijd van 40, waren gestopt met competitie, hoewel de meeste nog trainden als hobby. De minerale botdichtheid van de atleten werd vergeleken met die van 52 controle proefpersonen uit dezelfde leeftijdsgroepen. Ze vonden dat de minerale botdichtheid op alle plekken behalve de schedel, hoger was dan bij de controle groepen, ook als er gecorrigeerd werd voor de hogere BMI van de gewichtheffers. Er werd echter geen relatie gevonden tussen trainingsintensiteit van de gewichtheffers en minerale botdichtheid. Een sterk punt van deze studie is dat de hogere minerale botdichtheid van de gewichtheffers op alle punten behalve de schedel, die normaal gesproken niet belast wordt, aangeeft dat het verschil in minerale botdichtheid niet wordt verklaard door genetische verschillen, maar door de training die de gewichtheffers hebben doorlopen. Ook Conroy et al. (1993) voerden een onderzoek uit naar de minerale botdichtheid bij junior Olympische gewichtsheffers door middel van DEXA. Vergeleken met een controle groep van gelijke leeftijd en vergeleken met normale volwassenen was de minerale botdichtheid van de jonge gewichtheffers significant hoger. In een longitudinale studie van Kemper et al. (2000) werden 182 proefpersonen gevolgd vanaf hun 13e tot hun 29e jaar. Gedurende deze 15 jaar werd er bijgehouden hoeveel de proefpersonen sportten en welke sport ze beoefenden. Toen de proefpersonen 27 waren werd de minerale botdichtheid van de lumbale wervelkolom gemeten en toen de proefpersonen 29 waren werd de lumbale botdichtheid van het dijbeen en de pols gemeten door middel van een DEXA. Er werd geen significante relatie gevonden tussen mechanische belasting van de uitgevoerde sport en de minerale botdichtheid in de pols. Er werd echter wel een significante relatie gevonden tussen de mechanische belasting van de uitgevoerde sport en de minerale botdichtheid van het dijbeen en de lumbale onderrug. Een nadeel van deze studie is dat er geen metingen van de minerale botdichtheid zijn gedaan bij de proefpersonen op 13-jarige leeftijd. Echter omdat dit onderzoek geen topatleten heeft gevolgd maar een grote groep mensen waarvan slechts een gedeelte sport, is er waarschijnlijkgeen sprake van selectie van sporters met de sterkste botten, maar van aanpassing van de minerale botdichtheid aan de belasting waaraan de botten blootstaan.

Kraakbeen adaptaties

Volgens Gratzke et al. (in druk) in een onderzoek naar de relatie tussen spierkracht en dikte van het gewrichtskraakbeen bij gewichtheffers en bobsleesprinters, heeft hetgewrichtskraakbeen een veel kleiner vermogen om zich aan te passen aan zware belasting dan spierweefsel. Het gewrichtskraakbeen van de knie werd onderzocht bij 7 gewichtheffers, 7 bobsleeërs en 14 controle proefpersonen door middel van een MRI scanner. Hoewel de dikte van het kraakbeen bij de patella wel significant verschilde van de controles, werd er in de andere regio’s geen verschil gevonden. Ze stellen dat het noodzakelijk is om onderzoek naar te doen met een groot aantal atleten om dergelijke effecten te bevestigen of uit te sluiten. Ook vermoeden ze dat een dikkere laag gewrichtskraakbeen geen functioneel voordeel biedt. Gewrichtskraakbeen verdeelt de krachten gelijkmatig over het gewrichtsoppervlak zonder schade op te lopen door hydrostatische drukverdeling. Dikkere kraakbeenlagen zorgen niet voor een efficiëntere hydrostatische drukverdeling. Bovendien wordt kraakbeenweefsel voornamelijk gevoed door middel van diffusie, waardoor een dikkere kraakbeenlaag juist minder snel kan herstellen van beschadigingen en eerder stuk zal gaan. Ook in een MRI onderzoek van Eckstein et al. (2002) bij triatleten werden er geen adaptaties aan de belasting in het gewrichtskraakbeen gevonden. Hoewel triatleten geen sporters zijn die regelmatig zware krachttraining uitvoeren, geeft dit wel aan dat gewrichtskraakbeen een beperkte capaciteit heeft om zich aan te passen aan belasting. De literatuur is vrij eensgezind over de adaptaties van botweefsel aan zware training. De botdikte en de minerale botdichtheid zullen toenemen naarmate de trainingsbelasting groter wordt. Hoewel er minder literatuur over beschikbaar is, geeft deze eensgezind aan dat kraakbeen zich niet of nauwelijks aanpast aan een zware trainingsbelasting. Dit is echter vrij logisch gezien de manier waarop gewrichtskraakbeen van voedingstoffen wordt voorzien en de andere consequenties van het dikker worden van het gewrichtskraakbeen.

Discussie en conclusie

Eén van de hypotheses voor het ontstaan van AD is de remodelleringshypothese. Deze is gebaseerd op het gegeven dat van subchondraal bot de structuur veranderd, onder invloed van mechanische belasting. Door een verhoogde mechanische belasting zal het subchondrale bot, dat de meeste energie van de mechanische belasting opneemt, stijver worden en zo minder energie opnemen van de belasting. Deze energie wordt dan opgevangen door het kraakbeen, wat minder energie kan opvangen dan subchondraal bot, waardoor de kraakbeenlaag beschadigd raakt, wat op zijn beurt weer leidt tot AD (van Dieën & Kingma 2003). In de gelezen literatuur is er geen bewijs te vinden voor het ontstaan van permanente schade onder invloed van zware krachttraining aan de gewrichten. De studies die wel schade aan de gewrichten rapporteerden als gevolg van zware training waren onderzoeken naar de gevolgen van andersoortige belastingen (Kaneoka et al. in druk, Swärd et al. 1991) en hadden met elkaar gemeen dat flexibiliteit van de rug erg belangrijk was waardoor de tussenwervelschijven zwaarder of op een andere manier worden belast zodat er schade kan ontstaan. Dit wil echter niet zeggen dat meer en steeds zwaardere training geen schade kan aanrichten. De (top)sporters in de besproken studies volgen veelal een strikt trainingsschema, waarin vaak ook tijd wordt ingepland om het lichaam te laten herstellen van de doorlopen training. Skovron (1992) vond echter dat veel zwaar tillen wel een risicofactor was voor degeneratie van de tussenwervelschijf. Het is goed mogelijk dat er wél schade aan de gewrichten kan ontstaan door de gewrichten voortdurend zwaar te belasten zonder het lichaam de tijd te gunnen zichzelf te herstellen en sterker te worden. Dit zou verder onderzocht kunnen worden in toekomstig onderzoek. Botweefsel heeft, net als spierweefsel, de capaciteit om zich aan te passen aan regelmatige zware belasting zoals krachttraining. In de studies waarbij onderzoek werd gedaan naar de minerale botdichtheid en dikte van de botten bij met name gewichtheffers werd gevonden dat de minerale botdichtheid en de botdikte groter waren dan bij inactieve controle proefpersonen. Bellew et al. (2006) vonden een hogere minerale botdichtheid in jonge voetbalsters vergeleken met de WHO norm voor volwassen vrouwen. De zwemsters en gewichthefsters hadden echter een lagere minerale botdichtheid dan de WHO norm. Bij deze resultaat en moet men wel in gedachten houden dat de sportsters nog vrij jong zijn, vaak nog niet in de puberteit, waardoor de minerale botdichtheid nog verder zou kunnen toenemen naarmate deze proefpersonen ouder worden. Dit onderzoek geeft echter ook aan dat de minerale botdichtheid toeneemt onder invloed van belasting. Een punt waar men wel rekening mee moet houden is dat de hier beschreven onderzoeken naar de minerale botdichtheid cross-sectionele studies zijn. Hierbij kan het voorkomen dat de hogere minerale botdichtheid van bijvoorbeeld gewichtheffers niet het gevolg is van de training die ze doorlopen hebben, maar dat deze gewichtheffers een hogere minerale botdichtheid hebben door hun genetische opbouw en daardoor ver zijn gekomen in de sport. Dit is waarschijnlijk niet het geval omdat in een studie van Karlsson et al. (1993) de botdichtheid op alle gemeten punten hoger was dan bij de controles, behalve in de schedel die niet extra wordt belast tijdens het gewichtheffen. De resultaten van de studie van Karlsson et al. waren overeenkomstig met die van de studie van Conroy et al. (1993) waarin ook een onderzoek werd uitgevoerd naar de minerale botdichtheid bij gewichtheffers. Gewrichtskraakbeen kan zich echter niet of nauwelijks aanpassen aan zwaardere belastingen. Dit is goed te begrijpen gezien de manier waarop gewrichtskraakbeen wordt gevoed en gezien het feit dat een dikkere kraakbeenlaag geen efficiëntere hydrostatische drukverdeling oplevert. Ook dit onderbouwt het gegeven dat zware training geen schade aan de gewrichten veroorzaakt, mits er maar voldoende rust wordt genomen tussen de trainingen in om te herstellen. Uiteindelijk kan men concluderen dat zware krachttraining geen schade aanricht aan gewrichten, mits het lichaam na de training genoeg tijd en rust krijgt om te herstellen. De minerale botdichtheid en de dikte van de botten die worden belast tijdens training, nemen toe onder invloed van zware belasting en krachttraining, waardoor de botten sterker worden. Ook is gebleken dat gewrichtskraakbeen zich nauwelijks kan aanpassen aan een zware belasting.

 

Referenties

– Aharony, S., Milgrom, C., Wolf, T., Barzilay, Y., Applbaum, Y.H., Schindel, Y., Finestone, A., Liram, N. Magnetic resonance imaging showed no signs of overuse or permanent injury to the lumbar sacral spine during a Special Forces training course. The Spine Journal, in druk.

-Andersen, J.H., Haahr, J.P., Frost, P. Risk Factors for More Severe Regional Musculoskeletal Symptoms A Two-Year Prospective Study of a General Working Population. Arthritis & Rheumatism 2007, 56(4):1355-1364.

-Battié, M.C., Videman, T. Lumbar Disc Degeneration: Epidemiology and Genetics. The Journal of Bone and Joint Surgery 2006, 88, 3-9.

-Battié, M.C., Videman, T., Parent, E. Lumbar Disc Degeneration Epidemiology and Genetic Influences. Spine 2004, 29, 23, 2679-2690.

-Battié, M.C., Videman, T., Gibbons, L.E., Fisher, L.D., Manninen, H., Gill, K. Determinants in Lumbar Disc Degeneration : a Study Relating Lifetime Exposuresand Magnetic Resonance Imaging Findings in Identical Twins. Spine 1995, 20, 24, 2601-2612.

-Bellew, J.W., Gehrig, L. A Comparison of Bone Mineral Density in Adolescent Female Swimmers, Soccer Players, and Weight Lifters. Pediatric Physical Therapy2006, 18, 1, 19-22.

-Conroy, B.P., Kraemer, W.J., Maresh, C.M., Fleck, S.J., Stone, M.H., Fry, A.C., Miller, P.D., Dalsky, G.P. Bone mineral density in elite junior Olympic weightlifters. Medicine & Science in Sports and Exercise 1993, 25, 10, 1103-1109.

-Daly, R.M., Bass, S.L. Lifetime sport and leisure activity participation is associated with greater bone size, quality and strength in older men. Osteoporosis International 2006, 17, 1258-1267.

-Dieën van, J.H., Kingma, I. Arthrose In: Werkgerelateerde aandoeningen van het Bewegingsapparaat. Amsterdam: Faculteit der Bewegingswetenschappen; 2003. 40- 61.

-Eckstein, F., Faber, S. Mühlbauer, R., Hohe, J., Englmeier, K.,-H., Reiser, M., Putz, R. Functional adaptation of human joints to mechanical stimuli. Osteoarthritis and Cartilage 2002, 10, 44-50.

-Gratzke, C., Hudelmaier, M., Hitzl, W., Glaser, C., Eckstein, F. Knee Cartilage Morphologic Characteristics and Muscle Status of Professional Weight Lifters and Sprinters: a Magenetic Resonance Imaging Study. American Journal of Sports Medicine, in druk.

-Hoedemaeker, P.J., Bosman, F.T., Meijer, C.J.L.M., Becker, A.E. Pathologie. Vierde druk. Maarssen: Elsevier/Bunge. 1999.

-Kaneoka, K., Shimizu, K., Hangai, M., Okuwaki, T., Mamizuka, N., Sakane, M., Ochiai N. Lumbar Intervertebral Disk Degeneration in Elite Competitive Swimmers: A Case Control Study. American Journal of Sports Medicine, in druk.

-Karlsson, M.K. Johnell, O., Obrant, K.J. Bone Mineral Density in Weight Lifters. Calcified Tissue International, 1993, 52, 212-215.

-Kemper, H.C.G., Twisk, J.W.R., Mechelen van, W., Post, G.B., Roos, J.C., Lips, P. A Fifteen-Year Longitudinal Study in Young Adults on the Relation of Physical Activity and Fitness With the Development of the Bone Mass: The Amsterdam Growth and Health Longitudinal Study. Bone, 2000, 27, 6, 847-853.

-LeBlanc, A.D., Spector, E.R., Evans, H.J., Sibonga, J.D. Skeletal responses to space flight and the bed rest analog: A review. Journal of Musculoskeletal and Neuronal Interactions 2007, 7, 1, 33-47.

-Pettersson, U., Nordström, P., Alfredson, H., Henriksson-Larsén, Lorentzon, R. Effect of High Impact Activity on Bone Mass and Size in Adolescent Females: A Comparative Study Between Two Different Types of Sports. Calcified Tissue International 2000, 67 , 207-214.

– RIVM. Ziekteverzuim en arbeidsongeschiktheid: Oorzaken en gevolgen: Wat is de relatie met ziekten en aandoeningen? in: Nationaal Kompas Volksgezondheid. URL:http://www.rivm.nl/vtv/object_document/o2537n18748.html. 8-sept-2007. versie 3.10.1. 5 juli 2007.

-Skovron, M.L. Epidemiology of low back pain. Baillière’s Clinical Rheumatology 1992, 6, 3 559-573.

-Videman, T., Sarna, S., Batié, M.C. Koskinen, S., Gill, K., Paananen, H., Gibbons, L. The Long-term Effect of Physical Loading and Exercise Lifestyles on Back-related Symptoms, disability and Spinal Pathology among men. Spine 1995, 20, 6, 699-709.

Geef een reactie

Het e-mailadres wordt niet gepubliceerd. Vereiste velden zijn gemarkeerd met *